Uitgave van de Protestantse Gemeente Zoetermeer

De Witz – het wapen van de wapenloze




Sam en Moos komen elkaar tegen bij de Klaagmuur in Jeruzalem. Moos tegen Sam: ‘Hé, Sam, hoe gaat het?’ Sam: ‘Oh, ik mag niet klagen.’

Met het thema ‘humor’ in een kerkblad ontkom je niet aan Sam en Moos in de Joodse moppen, grollen en grappen. Er zijn er veel en iedereen kent er wel een paar of heeft er minstens wel eens enkele gehoord. Maar Joodse humor is meer dan alleen Sam en Moos uit Amsterdam, meer dan alleen de moppen die de Joodse humorist Max Tailleur in de tweede helft van de twintigste eeuw zo sappig kon vertellen. 
Joodse humor is de lange traditie die teruggaat op de Torah en Midrash van het oude Midden-­Oosten, en die na de Verlichting meer de vorm krijgt waarin op anti-autoritaire wijze de spot wordt gedreven met religieuze en ook seculiere zaken.

Ontknoping
Filosofen en psychologen hebben herhaaldelijk geprobeerd het fenomeen humor te duiden zonder onderscheid te maken tussen humor (geestigheid) en grap (Witz). Sigmund Freud deed dat wel in zijn Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten (1925-1934). Kort samengevat zegt hij, dat een grap een ontknoping kent, het beschrijft de ontmoeting in het verhaaltje van twee onverwachte factoren, die een soort ontsporing in ons verwachtingspatroon veroorzaakt. Gekoppeld aan iets van het verbodene of het taboe, leidt dit tot het vrijkomen van opgespaarde energie, het lustgevoel van de lach. 
In zoverre past dit ook bij de Witz, maar een goede Witz heeft meer nodig. De Witz moet snel en verrassend verteld worden. Ook moeten toehoorder en verteller in een gelijksoortige omgeving leven op hetzelfde beschavingsniveau. Een andere voorwaarde voor een goede Witz is dat het verhaal moet berusten op motieven en samenhangen, die voor zowel de verteller als de toehoorder gewoon en bekend zijn. 
Actuele gebeurtenissen zijn daarom geschikt voor scherpe Witzen. Een niet te onderschatten voorwaarde is dat in het bewustzijn van beide partijen ongeveer dezelfde dingen zijn verdrongen, toegelaten, gewenst of verafschuwd worden.

Lijden en lachen
Aan die laatste voorwaarde kan het Joodse volk, dat eeuwen heeft moeten leven als onderdrukte en vervolgde minderheid, zeker voldoen. ‘Ik lach om niet te huilen’, was de lijfspreuk van moppentapper Max Tailleur. Het lijden lijkt onlosmakelijk verbonden met de Joodse humor.  ‘Als hij eenmaal ging lijden zou het met de humor vanzelf goedkomen’, schrijft Arnon Grunberg in De joodse Messias (2009). 
De Witz ontstaat als de bedenker lijdt onder onrecht, maar tegelijkertijd ook inzicht heeft in de samenhangen en oorzaken waar zijn ellende uit voortkomt. Wanneer er geen daden tegenover het onrecht kunnen staan, biedt de Witz enige steun. Het is het wapen van de wapenloze tegen zijn onderdrukking. 

Vleugje echte 
wijsheid, nooit ten 
koste van anderen

Door het ontladen in de lach kan een Witz het harde lot relativeren en de pijn draaglijker maken. 
Tegelijkertijd is het een manier om met de joodse identiteit om te gaan, zoals bijvoorbeeld met de strenge joodse religieuze levensvoorschriften. De beste Witzen bevatten altijd een vleugje echte wijsheid, gaan nooit over anderen en ook niet ten koste van anderen. De ware joodse Witz is eigenlijk geen gewone grap of mop, maar een mengsel van humor, tragiek en wijsheid.

Tegenwicht
In haar boek Joodse humor (1990) heeft Salcia Landmann een groot aantal Witzen verzameld ‘als tegenwicht tegen de standaard­moppen over Sam en Moos’ en ‘om een schat van unieke en onvervangbare humor voor de vergetelheid te bewaren’.  De Witzen zijn onderverdeeld in categorieën, zoals ‘schnorrer’-­grappen, liefde, rabbijnse wijsheid, preken en bijbelkennis. Een voorbeeld van de laatste categorie: Drie studenten willen de criticus Fritz Mauthner er tussen nemen:
‘Goedendag, vader Abraham!’
‘Goedendag, vader Isaäk!’
‘Goedendag, vader Jacob!’
‘Ik ben geen van drieën,’ 
antwoordde Mauthner, ‘ik ben Saul, die uittrok om de ezels van zijn vader te zoeken – en zie, 
ik heb ze gevonden!’

Veel van de Witzen hebben het ‘kvetch’ gemeen, het zelfbeklag, kenmerkend voor de joods-­komische traditie: klagen over jezelf, klagen over anderen, klagen over eten of over geld:
‘Rabbi’, klaagt Mandelkern, ‘het afgelopen jaar heb ik, pechvogel, tienduizend roebel verloren. En tweeduizend ervan waren boven­dien nog m’n eigen geld!’
Van weinig Witzen is de auteur bekend, zij gaan anoniem rond en veranderen daardoor voort­durend, maar het bijzondere taalspel, dat ook kenmerkend is voor de Witz blijft aanwezig. Nieuwe Witzen komen er niet bij, stelt Landmann in haar inleiding van Joodse humor. Aan de voorwaarden kan na de Holocaust niet meer worden voldaan en de Witz behoort net als het volkssprookje tot het verleden. Ze kunnen alleen nog maar verzameld worden en daar mogen we dan nog van 
genieten en om lachen.

‘Grün, ik zit tijdelijk krap in m’n contanten. Kun je me tienduizend schilling lenen?’ ‘Onder ons gezegd en gezwegen, beste Blau, ik kan.’ ‘Hoeveel procent?’ ‘Negen.’ ‘Negen! Ben je mesjogge? Hoe kun je van een vriend negen procent vragen! Wat moet God wel van je denken als hij uit de hemel omlaag kijkt?’ ‘Nebbisj, als God uit de hemel omlaag kijkt, ziet hij de negen voor een zes aan!’

Hanneke Lam